Eerder gaf hij workshops worldbuilding tijdens de Dag van het fantastische boek. Nu zal hij alle verhalen van feedback voorzien: Tais Teng. Hij schrijft eigelijk voor elke leeftijd, van het eerste spreukenboekje voor kleuterheksen tot gedegen handleidingen voor zeshonderdjarige dark lords. Daarbij tekende hij ook zowat alles, van sprekende theepotten tot best wel mooie vrouwen met vleesmuisvleugels en een lelijk karaktertje. Zijn liefste wens is trouwens al jaren een mooi Starwars-laserkanon, om bergtoppen en de kleinere Jupitermaantjes mee te beeldhouwen. Zijn meest recente boeken zijn het prentenboek Wonderbaarlijke Verhalen uit het Duistere Geraniumwoud en de ziltpunkbundel Orkaanhoeders en Dijkfluisteraars die hij samen met Jaap Boekestein schreef.

 

Tips van Tais:

 

  • Zorg dat je omgeving origineel is. Zodra het op je favoriete tv-serie gaat lijken, wis je dat stuk tekst uit en vervang je het meteen door iets beters. Ik heb in de loop van mijn schrijverij zo’n twintig volkomen originele universa in elkaar gezet, van een geheime oceaan die zich tot de baan van Pluto uitstrekt (de Gran Terre saga) tot een levende wereld die haar bewoners vermoord, zodat ze nu op een immens rottend lijk moeten wonen. (De assassino’s in Noem mij maar Percy d’Arezzo y MacShimonoseki);
  • Hoe je hoofdpersonen in een fantasyverhaal heten, is bijzonder belangrijk. Ik heb daar een stukje over geschreven dat kunt lezen op Fantasy Schijven;
  • Economie: lang niet iedereen heeft een tafeltje-dek-je of een ezeltje-strek-je onder handbereik. Weet wat je met een stuiver of een penning kunt kopen. Als je de prijs van een brood kunt vinden en het uurloon van een ongeschoolde arbeider dan ben je al een heel eind op weg.
  • Geef iemand een echt beroep. Held of koningszoon geldt meestal niet als beroep, omdat ze onderweg ook moeten eten (zie tip 3). Trouwens  liever ook geen huurmoordenaar of dief. In mijn Zwarte Spiegel tweeluik is Mark, een van de hoofdpersonen, een hoefsmid. Het is een tijdreisverhaal en dat blijkt een prima beroep zowel in de tijd van keizer Nero als in het rijk van Ramses de Tweede. Sigurd uit Het net van de vuurgod is een skald, een Viking-muzikant en in beide gevallen moest ik akelig veel zaken uitzoeken om al mijn details kloppend te krijgen. Met een professioneel oplichter is overigens niks mis, maar zorg wel dat je eerst op de hoogte raakt met alle gebruikelijke trucs;
  • Als je iets uitlegt, moet je dat gespreid doen en liever nooit langer dan een alinea. van een boek dat met de geschiedenis van een elfenrijk begint kom ik nooit verder dan de eerste bladzijde;
  • Zorg dat er bij benadering evenveel mannen als vrouwen in voorkomen. Dat maakt de zaak een stuk interessanter, net als luchtig omgaan met alle mogelijke seksuele geaardheden. Samen met Jaap Boekestein schreef ik Heidelberg, mon amour, over een zinderende lesbische relatie die we goed lieten nakijken door ter zake kundige dames om het te laten kloppen;
  • Zoek inspiratie buiten Europa, in Vietnam lopen prima monsters en demonen rond en de Inuit hebben een bijzonder wonderbaarlijke onderwereld. Zelf ben ik dol op Russische folklore. Lees er hier een gratis verhaal over op smashwords.

 

‘Nooit doen’ tips van Tais:

 

  • Aan het eind vertellen dat je hele verhaal een droom was, hoewel het bijna even erg is om het allemaal in een game of virtual reality te laten spelen;
  • De hoofdpersonen  blijken Adam en Eva te heten;
  • God is je hoofdpersoon en hij maakt de Aarde en de mensen als schoolopdrachtje, wat niet meer dan een vijf min krijgt;
  • Aan het eind ontploft alles;
  • Er komen niet meer dan twee zinnen dialoog in voor zodat de tekst als een massief blok kriebelig beton oogt;
  • Het gaat over lieden uit je favoriete game;
  • Er zitten een of meerdere dwergen in. (Dit is eigenlijk het ergste).