Over de voorde, naar de bron – Frank Norbert Rieter

Een verkenning van het ontstaan van het fantasygenre

Op Ezzulia is een verkorte versie verschenen: Er was eens een fantasyboek. Lees het hele essay hier online.
Download de tekst in pdf en print hem uit op papier.
Lees de ePub versie op je smartphone of tablet, met programma’s als Aldiko (android) of  Calibre (Windows), iBooks of Stanza (Apple).

Illustratie van Sidney Sime (1867 – 22 May 1941) voor The Gods of Pegana van Lord Dunsany

Copyright © Frank Norbert Rieter
De illustraties bij dit artikel zijn o.a. ontleend aan wikipedia en zijn vrij van auteursrechten.

Inleiding
Ik lees graag vroege fantasy, maar als ik dat vertel kijken mensen me vaak wat glazig aan. Als ik vervolgens namen noem – Eddison, MacDonald en Morris – wordt het er meestal niet beter op. ‘Van vóór Tolkien,’ zeg ik er dan maar ter verduidelijking bij. Dan volgt doorgaans een zuinig knikje en verandert spontaan het gespreksonderwerp. Dat is spijtig, want veel vroege fantasywerken zijn nog steeds prachtig om te lezen. Met dit essay hoop ik u dan ook te verleiden om bij het zoeken naar een volgend leesboek uw blik te verruimen en buiten gebaande paden te treden. Vrees niet dat ik een uitgebreide lofzang ga afsteken, of dat het een chronologische opsomming van boektitels wordt (al kan ik enige mate van opsomming niet vermijden). Ik zal vooral het verhaal vertellen van mijn eigen zoektocht naar inspiratie en de oorsprong van het genre.

Hoe het begon
Toen ik als veertienjarige voor het eerst In de ban van de ring las kon ik niet wachten om meer boeken te lezen die je zo konden meevoeren naar verre werelden en je pagina’s lang onderdompelden in hun epische geschiedenis. Ik ging naar de bibliotheek en kwam thuis met Het Zwaard van Shannara en later met De Kronieken van Thomas Covenant. Dat waren ook mooie boeken, maar het was mij teveel van hetzelfde. In het grote donkere fantasywoud is het soms lastig keuzes maken. De boeken die ik had gevonden waren vaak wel erg sterk ‘in de traditie van Tolkien’ geschreven.

Ik ging op zoek naar auteurs met een oorspronkelijker karakter en een eigen stemgeluid. Een vriend raadde me aan Clark Ashton Smith te lezen. Hij was de eerste van een hele reeks schrijvers met een echt eigen stemgeluid die ik las en die voor de uitwerking van één enkel aardig idee niet meteen duizend pagina’s nodig had. Langzaamaan las ik me een weg terug de geschiedenis in en groeide mijn voorkeur voor vroege fantasy. Ik houd vooral van het ongerepte dat die verhalen hebben. Ze zijn geschreven in een tijd dat het genre nog niet gevormd en afgekaderd was. Er was meer ruimte voor het experiment. De schrijvers lieten hun fantasie de vrije loop.

Dat stond in schril contrast met de stroming waar ik als eerste kennis mee had gemaakt en die als uitgangspunt leek te hebben dat een fantasyepos uit (minimaal) drie dikke delen moest bestaan en waar elven, dwergen en draken in een minutieus uitgewerkte wereld de verplichte ingrediënten waren. Het leek alsof hoe recenter een werk was, hoe meer de wetmatigheden van het genre getekend werden en dat voor een boek dat niet helemaal à la Tolkien was, al snel een subgenre werd gedefinieerd. Als lezer waardeerde ik destijds die genreaanduidingen: dan wist ik een beetje wat me te wachten stond. Als schrijver gruw ik er inmiddels van. Als je sterk naar genredefinities toe gaat schrijven, krijg je een beperkende vorm van sjabloonschrijverij die zelden een goed verhaal oplevert. En eindeloze reeksen uniforme boeken. Het is fantasy, maar er komt heel weinig fantasie aan te pas.

Ik weet dat ik niet moet generaliseren en met veel genoegen heb ik een aantal hedendaagse schrijvers gelezen, waaronder Neil Gaiman en de onvermijdelijke Terry Pratchett. Ik heb werkelijk genoten, al was het juist het werk van Pratchett dat me al snel deed terugkeren naar de vroege fantasy. In zijn werk, met name de eerste Discworld-boeken, zitten veel inside-grappen en verwijzingen naar andere fantasy. Hij steekt er de draak mee, maar ik herinnerde me al lezend ook hoe prachtig al dat andere werk is. Het boek is niet alleen een parodie, maar ook een eerbetoon.

Belangrijker dan mijn voorkeur als lezer, is mijn ontwikkeling als schrijver. Schrijven en lezen zijn bij mij altijd gelijk opgegaan. Ik vond lezen bijna even leuk als schrijven en dat is natuurlijk een goede reden om als schrijver veel te lezen. Er zijn echter nog meer goede redenen. De kunst afkijken. Me laten inspireren. En zeker bij het schrijven van genreverhalen heb ik altijd ook gelezen om origineel te kunnen zijn. Er is bijna geen grotere domper denkbaar na het schrijven van een genreverhaal, dan dat iemand je er op wijst dat deze of gene schrijver ‘ook al eens zoiets’ geschreven heeft.

En dan is lezen ook nog goed voor de ontwikkeling van je taalgevoel en woordenschat. Niet voor niets wordt schrijvers, en zeker beginnende schrijvers, vaak aangeraden om veel te lezen.

Toch is me opgevallen dat het lezen zich meestal beperkt tot enkele grote namen en recente bestsellers. Sommige beginnende schrijvers laten het lezen zelfs na uit angst teveel beïnvloed te worden.
Het is natuurlijk onvermijdelijk dat je wordt beïnvloed door wat je leest. Ik zag dat bij diverse schrijvers terug. H.P. Lovecraft en Michael Moorcock hebben duidelijk Lord Dunsany gelezen. Lin Carter bouwt voort op het werk van Robert E. Howard. Dat is goed: ze voegen hun eigen stijl toe en uiteindelijk wordt hun werk er beter van. Juist daarom is veel en gevarieerd lezen gezond. Na verloop van tijd komen je eigen stijl en voorkeur naar voren: sterker en mooier dan vóór al die leeservaringen.

Ik adviseer dan wel om veel te lezen, maar het eerste advies dat ik beginnende schrijvers bij voorkeur geef, is om met enige regelmaat alle goede adviezen in de wind te slaan. Met deze relativering wil ik maar aangeven dat ik geen ´verplichte kost´ wil voorschrijven. Verre van dat. Ik hoop dat u uw eigen zoektocht maakt. Ik zal alleen wat bordjes langs de route voor u uitzetten, naar plekken met prachtige vergezichten.

Ik las om te beginnen veel schrijvers die hun oeuvre opbouwden vanaf de jaren dertig. Na Clark Ashton Smith las ik onder andere Fritz Leiber en L. Sprague de Camp, Amerikaanse schrijvers waarvan veel verhalen gepubliceerd waren in het blad Weird Tales. Ze waren toegankelijk omdat uitgeverij Bruna in de jaren zeventig veel van hun werk had opgenomen in de FeH-reeks (Fantasy en Horror). In de jaren tachtig en negentig waren die pockets nog bij bosjes te vinden in de tweedehands boekwinkels. Uitgeverij Meulenhoff deed het werk van Bruna in de jaren negentig nog eens over en bracht diverse ´oudjes´ opnieuw in vertaling uit.

Uitgeverij Bert Bakker en Fantasy uitgever Sirius & Sidirius doken nog een paar decennia verder de literatuurgeschiedenis in. Zij gaven voornamelijk Britse werken uit van rond 1920, waaronder Lord Dunsany en E.R. Eddison. Het lezen van hun werk voelde als thuiskomen in een lang vergeten land. Ik zag er de bron, de oorsprong van het genre in. De schrijvers haalden hun inspiratie nog uit mythen, sagen, legenden en sprookjes.

Hoewel er best wat voor te zeggen valt dat deze schrijvers in belangrijke mate hebben gezorgd voor de ‘geboorte’ van het genre, valt daar ook wel wat op af te dingen. Er zijn zoveel meer schrijvers, eerder en later, die er aan hebben bijgedragen. In meer of mindere mate. Er zijn schrijvers die ik lang niet in beeld had, omdat ze nooit, of pas veel later, vertaald zijn, waaronder Mervin Peake. En er zijn schrijvers waarvan het werk veel fantasyelementen bevat, maar die toch niet tot het genre gerekend worden. Hoe baken je dat af? Ja, en voordat je het weet ben je niet de fantasy aan het verkennen, maar begeef je je in het moeizame moeras van de genredefinities.

De ellendige definitiekwestie
Ik kan een geeuw amper onderdrukken bij de gedachte dat ik hier een definitie van fantasy zou moeten opnemen. Bij een verkenning is het zoveel meer van belang om de grenzen op te zoeken en er een beetje overheen te gaan, dan om ze duidelijk te markeren. Juist daarom worden in sommige overzichten van fantasyliteratuur ook boeken als De slinger van Foucault en Waterschapsheuvel opgenomen. Je kunt er over debatteren hoe terecht dat is, maar ik moedig het aan: als het maar wordt opgevat als uitnodiging om ook die boeken te lezen.

En verder haal ik graag de Amerikaanse rechter Potter Stewart aan: ‘I shall not today attempt further to define (…) and perhaps I could never succeed in intelligibly doing so. But I know it when I see it.’ Hij had het niet over fantasy, maar zijn woorden worden niet voor niets veel geciteerd om definitiekwesties te beslechten. Het is waar: je herkent het als je het leest. Sommige boeken geuren nu eenmaal naar betovering.

Geen definitie dus. Wat ik wel interessant vind, is dat de term fantasy als genreaanduiding helemaal niet zo oud is. Er was een tijd – zeg maar vóór Tolkien en C.S. Lewis – waarin de term fantasy niet gebruikt werd om dit genre mee aan te duiden. Er werd gesproken over ‘a fairy tale’ of ‘tales of wonder’ en ‘weird tales’. Ook in de Nederlandse uitgaven van Tolkien uit de jaren zeventig ontbreekt nog enige vorm van genreaanduiding.

De term fantasy als aanduiding voor het genre raakte pas na de publicatie van In de ban van de ring en de Narnia-boeken langzaam in zwang. Een wereld vol elfen, dwergen, draken en een snuf magie behoefde geen inleiding of uitleg meer. Het referentiekader bestond niet langer uit sprookjes, sagen en legenden, maar uit een afgebakende literaire stroming, waarvan met name Tolkien ongewild het boegbeeld was geworden.

Het waren Amerikaanse uitgeverijen als Ballantine en Harper Collins die vanaf de jaren zeventig als eerste fantasy als label gingen gebruiken en ook oudere auteurs onder die naam breed in de markt zetten. Het was hun afbakening die is doorgesijpeld naar de Nederlandse uitgevers en in de jaren tachtig bepaalde wat ik na het lezen van In de ban van de ring op de schap ‘fantasy’ in de bibliotheek vond.
Dat heeft mijn perceptie gevormd en ik realiseer me dat ik heel wat boeken heb overgeslagen toen ik mijn eerste verkenning in het ‘genre’ beschreef. Had ik niet eigenlijk moeten beginnen met te melden hoe dol ik al van kinds af aan ben op de boeken van Paul Biegel: vooral De Rover Hoepsika en De vloek van Woestewolf. En moet ik niet ook de strips van Douwe Dabbert noemen, of het werk van Maarten Toonder? Ik noem deze werken met name omdat ze, net als de boeken van Tolkien of Clark Ashton Smit, een heel eigen wereld laten zien, met een eigen sfeer, een eigen ritme. Eigen wetmatigheden en logica. Een eigen schrijfstijl.

Voor mij zijn die eigenheden erg belangrijk om een werk te waarderen, het met plezier te herlezen en ervan te leren. Ik weet dat fantasy vaak escapistisch wordt genoemd. Voor mij hoort die term bij de eerder genoemde sjabloonschrijver. Goede fantasy is evengoed gelaagd en vormend, ik zou bijna zeggen literair, als ieder ander goed boek. Met deze mening sta ik haaks op de manier waarop in Nederland fantasy gedefinieerd wordt. In een verhandeling over het schrijven van een goed verhaal ten behoeve van de Paul Harland Prijs benadrukt uitgever Jürgen Snoeren: ‘Het is dus niet de bedoeling om literaire verhalen op te sturen’. Dat geeft de huidige tendens goed weer, terwijl ik zelf graag betoog dat je juist ook genreverhalen zo literair mogelijk moet maken.

In het buitenland is er de laatste jaren een voorzichtige trend die mijn visie deelt. Het genredenken en de polemiek rond het definiëren van fantasy lijken tanende. Er is een ongeschreven consensus over wat wel en wat niet tot het genre behoort, waarbij uitgevers, schrijvers en critici zich er erg van bewust zijn dat het meer een kwestie is van positionering dan van feitelijke inhoud. Boeken als Jonathan Strange & Mr. Norell van Suasanna Clarke en Perdido Street Station van China Miéville werden bij uitkomen niet als fantasy gelabeld, terwijl dat qua inhoud makkelijk had gekund.

Ook de boeken van een aantal Zuid-Amerikaanse schrijvers, waaronder Isabel Allende en Gabriel García Márquez, leunen met veel bovennatuurlijke elementen tegen de fantasy aan. Het label dat wordt meegegeven is meestal magisch realisme.

De meest treffende illustratie van hoe verschillend er tegen het fantasygenre aan wordt gekeken vond ik in een prachtige verhalenbundel die ik onlangs las The Dedalus Book of Flemisch Fantasy. Naast Hubert Lampo, die je misschien zou verwachten, zijn Hugo Claus, Jef Geeraerts, Ward Ruyslinck en Annelies Verbeke opgenomen. De titel zegt het al; hij is in het Engels. Die bundel zal met het label fantasy nooit in het Nederlands taalgebied verschijnen.

Welke definitie of aanvliegroute je ook precies kiest, de kans is groot dat je bij een verkenning van het fantasygenre als eerste uitkomt bij de keur aan schrijvers die ik heb genoemd, waarvan de vroegste waarschijnlijk E.R. Eddison en Lord Dunsany zijn. Deze schrijvers hadden in hun tijd geen hele grote verspreiding. De Worm Ouroboros (1922) van E.R. Eddison en de vele korte verhalen van Lord Dunsany (vanaf 1905) verschenen alleen in Groot-Brittannië, in kleine oplage. Ze werden pas in de jaren ’70 voor het eerst in Amerika op de markt gebracht. Niettemin is de kans aanwezig dat zij dan nog de schrijvers zijn die u hebt gelezen, of waarvan u hebt gehoord. En er is nog zoveel meer, ouder werk dat de moeite van het lezen waard is.

Dwalen en schatzoeken
Als ik maar ver genoeg terug ga behandel ik straks ook het Gilgamesj-epos, de Odyssee, of de vertellingen van Duizend en één nacht. Dat is geen rare gedachte. Je kunt sprookjes, mythen en sagen als een vroege vorm van fantasy zien. Er zijn in stijl en onderwerpkeuze veel overeenkomsten met de hedendaagse fantasy. Het zijn voor veel fantasy-schrijvers belangrijke inspiratiebronnen geweest. Hetzelfde geldt voor legenden die hun wortels hebben in de vroege middeleeuwen, zoals de Orlando Furioso, Beowulf en de verhalen rond Koning Arthur.

Toch voelt het alsof ik iets te ver van mijn pad ben afgedwaald. Het zijn werken die behoren tot op zichzelf staande genres. De wereld waar ze in spelen is voor ons nu vaak ver en wonderbaarlijk, maar je kunt niet zondermeer zeggen dat dat voor de lezers en toehoorders in de tijd dat de verhalen ontstonden ook het geval was. Wonderbaarlijk en daarom het vertellen waard, maar in die tijd wellicht ook onderdeel van het eigen wereldbeeld.

Ook wil ik niet vergeten dat een deel van die werken pas veel en veel later dan hun ontstaansgeschiedenis werden opgetekend of vertaald. De sprookjes van Duizend en één nacht werden pas in 1850 vertaald. De eerste complete uitgave van het Gilgamesj-epos dateert uit 1930. De Edda werd voor het eerst vertaald door William Morris in 1888. Dat Morris ook fantasy schreef, bevestigt wel hoe zeer het een inspiratiebron kan zijn geweest, maar dat maakt het op zichzelf nog geen vroeg fantasywerk of onderdeel van het genre. Het zijn werken die ik ter inspiratie allemaal warm kan aanbevelen, al zijn ze zijn niet allemaal even toegankelijk.

Ik zoek eigenlijk naar het moment dat voor het eerst een schrijver een verzonnen verhaal op papier zette dat speelt in een magische, wonderbare wereld. Het is een groot en grijs gebied – een mistig land. Ik realiseer me dat ik zoek naar de eerste schrijvers van fictie. Je komt dan uit bij Don Quixote de La Mancha ( Miguel de Cervantes, 1605), Robinson Crusoe (Daniel Defoe, 1719) of Gulliver’s Travels (Jonathan Swift, 1726). Ik realiseer me dat ik er nog niet helemaal ben, omdat fictie vanaf die tijd ook enige mate aan realisme impliceert. Don Quixote en zeker Robinson Crusoe gaan, hoe wonderbaarlijk de verhalen ook zijn, over herkenbare personages in een herkenbare wereld. En ook al heeft Gulliver’s Travels echt wel wat trekken van een fantasyboek, het is in de eerste plaats een satire.

Misschien is het goed als ik mijn blikveld iets verbreed naar theaterteksten. De werken van William Shakespeare bevatten tal van magische en bovennatuurlijke elementen. Van de heksen in MacBeth (1603) tot een volledige sprookjesbos in A Midsummer Night’s Dream (1600) en het magische eiland in The Tempest (1611). Net als bij sagen en legenden moet ik zeggen dat ook het theater zijn eigen traditie en wetmatigheden kent. Fantasy ontleent er aan en bouwt er op voort, maar het is eerder een verre neef dan een directe voorouder.

Een directe voorouder vinden we pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, bij het aanbreken van de Romantiek. Dan ontstaat er een beweging in de kunst die zich afzet tegen het realisme dat tot dan toe (onder invloed van de verlichting) in de fictie overheerst.

In 1764 publiceert Horace Walpole de roman The Castle of Otranto. Dit werk wordt beschouwd als de eerste Gothic novel en luidde een tijdperk in waarin vele romans verschenen in een pseudomiddeleeuwse setting, voorzien van bedreigde maagden en allerhande bovennatuurlijke verschijningen. Onder andere de boeken van Ann Radcliffe zijn nog steeds de moeite van het lezen waard, waaronder The Romance of the Forest (1791) en The mysteries of Udolpho (1794). De schrijvers van Gothic novels omarmen het bovennatuurlijke, het bizarre en het griezelige. Daarmee zijn ze een prelude voor de weird tale: voor zowel fantasy als horror.

Er is echter nog geen sterk accent op het wonderbaarlijke en het magische. De wereld is nog altijd een opgeleukte versie van het toen bekende Europa. Nu is het voor fantasy niet noodzakelijk dat het speelt in een nieuw verzonnen, fictieve wereld, maar bij het zoeken naar de oorsprong van het genre, de eerste aanzetten, zoek ik toch naar een duidelijke verwijdering van de werkelijke wereld van de schrijver. In de Gothic novel wordt daar wel de eerste stap naar gezet, maar het gegeven van de magische, wonderbare wereld wordt naar mijn smaak nog niet ver genoeg uitgewerkt om van echte fantasy te spreken.

In hetzelfde jaar dat The Romance of the Forest verscheen, werd Mozarts Die Zauberflöte voor het eerst opgevoerd (1791). Deze opera lijkt geïnspireerd op de Duitse volksverhalen en heeft trekken van een sprookje, maar het verhaal is zo origineel en zo vrij verteld, dat er feitelijk een volstrekt nieuwe wonderbare wereld ontstaat. Het libretto is gebaseerd op een verhaal van August Jacob Liebeskind: Lulu oder die Zauberflöte. Liebeskind noemde het zelf een sprookje en het verhaal werd ook in een bundel met sprookjes gepubliceerd. De sprookjes in die bundel zijn deels nieuw verzonnen, deels uit overlevering opgetekend. Lulu komt helemaal los van de sprookjes. Het werk geurt naar fantasy.

In de fantasierijke Duitse muzikale traditie wil ik ook E.T.A. Hoffmann noemen. Hij schreef een hele serie wonderlijke vertellingen (1817-1821) die hij zelf ook tot opera bewerkte en die de componist Offenbach inspireerden tot het bekende Les Contes d’Hoffmann. Met een beetje goede wil kan je ook Wagners Ring des Nibelungen (1853-1874) in deze traditie plaatsen.

Het prozawerk van Liebeskind lijkt als voorvader van de fantasy toch een beetje alleen te staan. De Duitse traditie speelt zich voor een groot deel af op de planken en op schrift domineren echte volksverhalen, zoals ze door de gebroeders Grimm op papier zijn gezet (1812-1822). Eigenlijk kan ik geen rechte lijn trekken van Liebeskind naar Dunsany of Tolkien.

Het gat tussen de Gothic novel en de genoemde auters uit het begin van de 20ste eeuw wordt gedicht door een aantal Britse auteurs. Ik noemde William Morris al als vertaler van de Edda. Hij schreef in 1896 The Well at the World’s End. Als ik er wat werken over literatuurgeschiedenis op na sla, wordt vaak het werk Phantastes (1858) van George MacDonald als eerste fantasyboek genoemd. Hij strijd om de ‘eer’ met John Ruskin die al in 1841 The King of the Golden River schreef. Naar wie je voorkeur uitgaat hangt vooral af van of je jeugdboeken wilt meetellen. Ruskin schreef zijn boek voor de twaalfjarige Effie Gray. Het boek van MacDonald is een boek voor volwassenen. Ik reken Ruskin zelf graag volwaardig mee. Fantasy is een genre dat in de loop der jaren vaker laveert tussen volwassen- en jeugdliteratuur. Boeken die aanvankelijk voor kinderen geschreven zijn worden ook door volwassenen gelezen en andersom. Ik denk daarbij aan Alice in Wonderland (1865), The Wonderful Wizard of Oz (1900) en Peter Pan (1904), maar evengoed is de ontwikkeling van de Harry Potter-reeks een mooi recent voorbeeld.

De taal, het verleiden en het genoegen
Met mijn hele verhandeling is de virtuele stapel te lezen boek op het nachtkastje inmiddels uitgegroeid tot draconische proporties. Die gaat u natuurlijk niet allemaal lezen, om het aantal en wellicht ook omdat niet alle werken voor een hedendaagse lezer even toegankelijk zijn. Toch is het om meerdere redenen zeer de moeite waard –schrijvers lezen hier leerzaam– om een selectie werkelijk ter hand te nemen.

Het eerste wat zal opvallen is hoe uiteenlopend het taalgebruik is. In fantasyverhalen willen auteurs nog wel eens grijpen naar een soort-van-ouderwetsch taalgebruik met woorden als ‘voorwaar’ en ‘Uedele’. Met wisselend succes. Je kunt de kunst van het archaïsch taalgebruik afkijken bij onder andere E.R. Edisson (ook de uitstekende Nederlandse vertaling van De Worm Ouroubouros is daar geschikt voor). Poëtisch taalgebruik vind je bij Dunsany. Voor rake beschrijvingen in verhalen met veel vaart, kom je bijvoorbeeld terecht bij Robert E. Howard. Zo heeft iedere auteur zijn eigen kracht en stijl, die je eigen stijl zal beïnvloeden en verbeteren.

Een tweede punt waar je eens op kunt letten en dat je horizon verbreedt is hoe je als lezer (en als de hoofdpersoon) de magische wereld mee ingevoerd wordt. De meest klassieke opbouw is die waarbij de wereld ook voor de hoofdpersoon onbekend is en de schrijver op die manier nieuwe en vreemde zaken op een natuurlijke manier kan introduceren zonder dat de uitleg geforceerd overkomt. Deze constructie kom je ook tegen bij Tolkien en Lewis. Andere schrijvers geven er een eigen draai aan, zoals in Lilith (1895) van MacDonald of in The Dream-Quest of Unknown Kadath (1927) van H.P. Lovecraft. In die twee boeken blijft de wereld ondanks de natuurlijke uitleg en introducties tot het eind toe gevaarlijk en diffuus. Dat het ook heel anders kan blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Mervyn Peake. In zijn Gormenghast-serie (1946-1959) is wereld voor de hoofdpersoon bekend en vertrouwd en voor de lezer wordt alleen het minimale uitgelegd. Verder lijkt er feitelijk weinig magie te zijn: het wonderbaarlijke van de wereld wordt opgeroepen door het taalgebruik, de sfeer van eeuwenoude tradities en de doorlopende suggestie van dreiging in het reusachtige kasteel Gormenghast.

De derde en belangrijkste reden om oudere boeken eens af te stoffen, is om te genieten van de vrijheden die schrijvers zich permitteren. Niet alle fantasy speelt in een wereld met draken en elfen. Niet alle magie leidt tot vuurballen. Bij het schrijven voor een genre dat gaat om fantasie, moet je de grenzen durven opzoeken (en over gaan), de vrijheden benutten. Juist schrijvers die niet zondermeer tot het genre gerekend worden zijn dan erg de moeite waard. Lees bijvoorbeeld The Picture of Dorian Gray (1890) van Oscar Wilde, of A Connecticut Yankee in King Arthur’s Court (1898) van Mark Twain.

Tot besluit
Wie op zoek gaat naar de oorsprong van de Rijn vindt in Zuid Duitsland een handvol dorpen die allemaal claimen dat bij hen de enige echte bron van die rivier ligt. Dat is niet verwonderlijk: de rivier ontstaat uit vele bergbeekjes. Zo is het ook bij de oorsprong van de fantasy. Ik heb geprobeerd u langs vele bronnen te voeren, tot aan de eerste voorde, een doorwaadbare plaats, zonder te pretenderen volledig te zijn, of niet te zijn afgedwaald. Als leidraad bij dit artikel heb ik een lijst van auteurs en werken opgesteld. Ik wil niet beweren dat het een lijst van de beste werken is: het zijn boeken die ik op basis van mijn persoonlijke ervaring kan aanbevelen, omdat ze ieder voor zich iets aan het fantasygenre hebben toegevoegd of veranderd: nieuwe perspectieven en betoverende vergezichten. Ik wens u de komende tijd veel leesplezier.

Frank Norbert Rieter

Chronologisch overzicht
Inspiratiebronnen en fantasyboeken tot circa 1950

De oudste bronnen: Voor onze jaartelling
Het Gilgamesj epos is een van de oudste literaire werken. Gilgamesj zou koning zijn geweest van Uruk (midden oosten) rond 2620 v.C.
De Illias vertelt het verhaal van de strijd van de Griekse koningen tegen Troje. De Odyssee beschrijft de omzwervingen van Odysseus na de strijd tegen Troje, op weg naar huis. ‘Duizend en één nacht’ is een raamvertelling van oude Arabische volksvertellingen. De Edda is een verzameling IJslandse goden- en heldendichten.
Van al deze werken zijn recente Nederlandse vertalingen te koop, maar in iedere boekhandel vind je ook een keur aan toegankelijke hervertellingen.

Beowulf
Ca.700

Illustratie van Evelyn Paul voor Myths and Legends of the Middle Ages van H. A. Guerber.

Beowulf is een Oudengels episch gedicht over de strijd van koning Beowulf tegen het monster Grendel. De Oudengelse Tekst en de vertaling in het Nieuwengels zijn online beschikbaar, evenals een Nederlandse vertaling, zowel in proza als in stafrijm.

Koning Arthur
Opgetekend ca. 1470
Le mort d’Arthur is een serie verhalen rond koning Arthur, opgetekend door Sir Thomas Malory (gepubliceerd in 1485). Het werk van Malory inspireerde vele schrijvers, waarvan T.H. White en Marion Zimmer Bradley de bekendste zijn.
De oorspronkelijke tekst is beschikbaar via Project Gutenberg (deel I en deel II).

Orlando Furioso
1516
Orlando Furioso is een episch ridderverhaal geschreven door Ludovico Ariosto. De Orlando uit de titel is bij ons bekend als Roeland, één van de ridders van Karel de Grote. Het dichtwerk vertelt hoe Orlando verliefd wordt op de schone Angelica en hoe hij waanzinnig wordt als zij zijn liefde niet beantwoordt.
Zowel de oorspronkelijke Italiaanse tekst als een Engelse vertaling zijn verkrijgbaar via Project Gutenberg.

Het ontstaan van de roman
1500-1750
In het tijdperk na de middeleeuwen tot in de verlichting wordt een aantal werken genoemd die zeer van belang zijn voor het ontstaan van de moderne roman.
Gargantua en Pantagruel (Rabelais 1532-1552) Zie verder : http://www.rabelais.nl/Don Quixote de La Mancha (Miguel de Cervantes, 1605), Robinson Crusoe (Daniel Defoe, 1719), Gulliver’s Travels (Jonathan Swift, 1726).

William Shakespeare
1564-1616
Het werk van William Shakespeare bevat veel mythische en bovennatuurlijke elementen. Lees daarvoor onder andere MacBeth (1603), A Midsummer Night’s Dream (1600) en The Tempest (1611). Zijn werk is op diverse plaatsen online beschikbaar (o.a. hier), voor een deel ook in het Nederlands (hier).

Horace Walpole
1717-1797
Horace Walpole was een Brits schrijver en politicus. Zijn roman The Castle of Otranto (1764) wordt beschouwd als de eerste gothic novel. Walpole was geobsedeerd door middeleeuwse gotische gebouwen en deze fascinatie leidde tot het schrijven van The Castle of Otranto. Het kasteel is de feitelijke hoofdpersoon van het verhaal, met alle verboden kamers, donkere gangen en dreigende torens. De eerste uitgave van het boek verscheen anoniem en werd gepresenteerd als vertaling van een oude Italiaanse tekst. De tweede editie werd gepubliceerd onder de naam van de schrijver en droeg als ondertitel ‘A Gothic Story’.
The Castle of Otranto is beschikbaar via Project Gutenberg.

Ann Radcliffe
1764-1823
Ann Radcliffe was een Engelse schrijfster van gothic novels.
Ze huwde journalist William Radcliffe, eigenaar en redacteur van het tijdschrift The English Chronicle.
Haar boeken volgen vaak een zelfde stramien: een onschuldige maar dappere jonge vrouw raakt verzeild in mysterieuze kastelen met al even geheimzinnige eigenaren. Haar bekendste werken zijn The Romance of the Forest (1791), The Mysteries of Udolpho (1794) The Italian (1797)

1786-1791
Het sprookje Lulu oder die Zauberflöte van August Jacob Liebeskind inspireerde tot een aantal muziekstukken.
Kaspar, der Fagottist (Wenzel Müller & Joachim Perinet; Wenen, 1791)
Das Sonnenfest der Braminen (Wenzel Müller & Friedrich Hensler; Wenen, 1790)
Die Zauberflöte (Wolfgang Amadeus Mozart & Emanuel Schikaneder; Wenen, 1791)Een keur aan opnamen is beschikbaar via Youtube.

E.T.A. Hoffmann
1776-1822
Hoffmann was een Duits auteur, componist, dirigent, jurist en tekenaar. Hij maakte met name furore als schrijver. In zijn vertellingen komen ondermeer hallucinaties en bovennatuurlijke elementen voor. Hij inspireerde Offenbach tot het schrijven de opera Les Contes d’Hoffmann.
Het werk van E.T.A. Hoffmann is zowel in het Engels (deel I en deel II) als in het Duits beschikbaar via Project Gutenberg.

Sara Coleridge
1802–1852

Sara Coleridge was een schrijfster en vertaalster. Haar langste originele prozawerk is het sprookje  Phantasmion (1837). Het wordt beschouwd als de eerste Engelstalige sprookjesroman en een opmaat voor het fantasy genre.

John Ruskin
1819-1900
John Ruskin was een Engels criticus en schrijver. Hij schreef essays over kunst en architectuur. Op zijn tweeëntwintigste schreef hij het sprookje The King of the Golden River (gepubliceerd 1851), dat vaak wordt gezien als het eerste fantasyboek voor kinderen.

George MacDonald
1824-1905
George MacDonald was een Schots auteur, dichter en dominee. Zijn werk speelt in nieuwe mysterieuze landen en hij mengt sprookjesachtige verhalen met christelijke thema’s. Zijn belangrijkste werken zijn: Phantastes (1858), The Princess and the Goblin (1872) en Lilith (1895).
Website: http://www.george-macdonald.com/

William Morris
1834-1896
William Morris is vooral bekend geworden als ontwerper van onder andere behang en meubels. Zijn belangrijkste literaire werken zijn: The Well at the World’s End (1892) en The Wood Beyond the World (1894).

Illustratie van Edward Burne-Jones voor The Well at the World’s End van William Morris

Het werk van William Morris is beschikbaar via Gutenberg.org en Marxists.org. Nederlandse vertalingen zijn in de jaren zeventig door Uitgeverij Bert Bakker opgenomen in de  Tintagelreeks.

Lord Dunsany
1878-1957
Lord Dunsany was een Iers schrijver van korte verhalen, romans en theaterteksten. Met name zijn vroege werken hebben veel invloed gehad op andere schrijvers en de basis gelegd voor het fantasy genre. Zijn belangrijkste werk wordt gevormd door de romans Don Rodriguez (1922), The King of Elfland’s Daughter (1924) en de collecties met korte verhalen waaronder The Gods of Pegāna (1905), The Fortress Unvanquishable (1906) en The Book of Wonder (1912)
Een deel van het werk van Lord Dunsany is beschikbaar via Project Gutenberg.
Nederlandse vertalingen zijn in de jaren zeventig door Uitgeverij Bert Bakker opgenomen in de Tintagelreeks.
Website: http://www.dunsany.net/

H.P. Lovecraft
1890–1937
Howard Phillips Lovecraft was een Amerikaanse fantasy- en horrorschrijver. Vrijwel al zijn verhalen werden gepubliceerd in pulpbladen als Weird Tales. Zijn werk heeft latere schrijvers sterk beïnvloed. Tot zijn belangrijkste fantasy werk behoort de novelle The Dream-Quest of Unknown Kadath en de korte verhalen Celephaïs en The Cats of Ulthar. De werken van Lovecraft zijn beschikbaar via de website http://www.hplovecraft.com.

Clark Ashton Smith
1893-1961
Clark Ashton Smith was een Amerikaans beeldhouwer, dichter en schrijver van korte verhalen. Zijn bekendste fantasywerk bestaat uit de verhalencyclus die speelt in Zothique, het laatste continent op aarde. The Isle of the Torturers (1933), The Dark Eidolon (1935) en Necromancy in Naat (1936)
Het werk van Smith is beschikbaar via de website http://www.eldritchdark.com/

Robert E. Howard
1906 – 1936
Robert Ervin Howard was een Amerikaanse schrijver van korte verhalen. Zijn meest bekende werk zijn de verhalen rond Conan de Barbaar. Zijn werk is geschreven met veel vaart en doorspekt met magisch geweld en zwaardgevechten. De cyclus omvat ruim twintig verhalen waaronder The Phoenix on the Sword en Red Nails. Veel andere auteurs hebben in de loop der jaren Conan-verhalen geschreven. De verhalen van Robert E. Howard zijn gebundeld in ‘Conan the Barbarian: The Original, Unabridged Conan Adventures’ ISBN-13: 978-1853756993
Robert E. Howard wordt mede geportretteerd in de film The Whole Wide World.

E.R. Eddison
1882 – 1945

Omslag van Keith Henderson voor The Worm Ouroboros van E.R. Eddison

Eric Rucker Eddison was een Brits schrijver. Zijn eerste en belangrijkste werk is The Worm Ouroboros (1922). Hij plaatst een episch verhaal in een nieuwe wereld en komt daarbij als een van de eerste fantasyschrijvers volledig los van een lieflijke sprookjesachtige sfeer, of sterke christelijke moraal.
De volledige tekst is beschikbaar via Project Gutenberg

Mervyn Peake
1911 –1968
Mervyn Peake was een Engels modernistisch schrijver, dichter, kunstschilder en illustrator. Zijn belangrijkste boeken zijn Titus Groan (1946), Gormenghast (1950) en Titus Alone (1959). Het bijzondere van zijn werk is dat het alleen door zijn taalgebruik en de mysterieuze, epische omgeving tot de fantasy gerekend wordt. Er komen nagenoeg geen magie of bovennatuurlijke elementen in voor.
Het werk van Peake is nog steeds via de boekhandel verkrijgbaar. De Gormenghast boeken zijn in het Nederlands vertaald en tweedehands verkrijgbaar.
http://www.mervynpeake.org/

Fritz Leiber
1910-1992
Fritz Leiber was een invloedrijke Amerikaanse schrijver van sciencefiction-, fantasy- en horrorverhalen. Zijn bekendste werk is de serie verhalen over Fafhrd en de Grijze Muizer. De serie is gebundeld in zeven boeken die nog steeds via de boekhandel verkrijgbaar zijn. Veel werk is in de loop der jaren vertaald in het Nederlands en tweedehands verkrijgbaar.

L. Sprague de Camp & Fletcher Pratt
De ‘Harold Shea’ serie 1940-1954
Lyon Sprague de Camp (1907-2000) was een Amerikaans sciencefiction- en fantasyschrijver. Tot de Camps bekendste werken horen de korte romans Lest Darkness Fall (1939), The Wheels of If (1940) en vele Conan-verhalen, waarmee hij voortborduurde op het werk van Robert E. Howard. Samen met auteur Fletcher Pratt (1897–1956) schreef hij een serie verhalen over Harold Shea die door een mathematisch-magische methode in diverse fantastische werelden terecht komt, waaronder Midgard en het Frankrijk van de Orlando Furioso.
De verhalen over Harold Shea zijn in het Engels in verschillende bundels uitgebracht, waarvan The Intrepid Enchanter (1982) waarschijnlijk de meest complete versie is. Een deel van de verhalen zijn vertaald in het Nederlands en gebundeld onder de titel De hoorn van Midgard. Beide bundels zijn alleen tweedehands verkrijgbaar.

Gebruikte Literatuur
Rhetorics of Fantasy, 2008, Farah Mendlesohn, isbn 978 0 8195 6868 7
Fantastic Literature A Critical Reader, 2004, red. David Sandner, isbn 0 275 98053 7
100 must-read Fantasy Novels, 2009, Nick Rennison en Stephen E. Andrews, isbn 978 1408 11487 2
A short history of fantasy, 2009, Farah Mendlesohn & Edward James, isbn 978 1 904750 68 0
Ter oriëntatie en voor het samenstellen van het chronologisch overzicht heb ik naast bovenstaande boeken gebruik gemaakt van diverse Wikipedia pagina´s.

Aanbeveling
Van vrijwel alle genoemde Engelstalige werken heb ik waar beschikbaar naast het oorspronkelijke werk ook de Nederlandse vertaling gelezen. Tenzij een schrijver de ambitie heeft om zelf in het Engels te gaan schrijven, wil ik over het algemeen het lezen van de Nederlandse vertalingen sterk aanbevelen. De vertalingen zijn uitstekend, waarbij met name de Ghormengast-trilogie (vert Frits van der Waa), De droomqueeste van Kadath (vertaling Pé Hawinkels) en De Worm Ouroubouros (vertaling Heleen Knoper) in treffend en betoverend Nederlands zijn schreven.