Ontdek de toekomst – Mathijs Schiffers

1 december 2010, 7:00 uur | Het Financieele Dagblad


Iedere
bedrijfsstrateeg zou minstens tien sciencefictionboeken per jaar moeten lezen om zijn zicht op toekomstige kansen en bedreigingen te vergroten.

Jeff Baker is een geluksvogel. Hij is achter in de zeventig en uitverkoren voor een prestigieus en grensverleggend project waarmee United Europe, de centrale overheid voor alle Europese landen, haar werelddominantie wil aantonen. Jeff krijgt als eerste mens een verjongingskuur van 18 maanden, die hem de fysieke gesteldheid en het uithoudingsvermogen van een twintiger terugbezorgt. Maar mét behoud van de kennis en ervaring die hij opdeed in al de jaren die hij al op aard heeft doorgebracht.

Dat is de plot van het sciencefictionboek Misspent Youth (verprutste jeugd) van de Britse auteur Peter F. Hamilton. Het boek uit 2002 speelt veertig jaar in de toekomst en de titel suggereert het al: Jeff Baker wendt zijn tweede kans op oneigenlijke wijze aan.

Het eerste slachtoffer is zijn vrouw. Als veertiger ging zij voorheen door als jong liefje van Baker; nu zijn de rollen omgedraaid en is zij plots de ietwat belegen dame naast de jonge God, een situatie die natuurlijk niet lang goed kan gaan.

Minst te benijden is Tim, de 20-jarige zoon van Jeff. Tim maakt de fout zijn mooie vriendinnetjes mee naar huis te nemen. Ze vallen en bloc voor Jeff, de man met het jeugdige uiterlijk maar met de aangename rust van iemand die alles al heeft meegemaakt. Tim slaapt vanaf dat moment vaak alleen …

Hamilton, een van de populairste sciencefictionschrijvers van het moment, laat in Misspent Youth zien waar hedendaagse trends toe kunnen leiden als ze zich ongeremd kunnen doorontwikkelen. De auteur gaat aan de haal met grensverleggende experimenten uit de medische wereld ­— in dit geval proeven met verjongingskuren — en presenteert naast de mogelijke potentie ook de risico’s daarvan: ontwrichte gezinnen.

Hamilton kan dit doen, omdat hij als schrijver geen zakelijke belangen te verdedigen heeft, anders dan dat hij een onderhoudend verhaal moet brengen. Hij is niet gehouden aan feiten en kan dus terreinen onderzoeken waar ‘gewone mensen’ niet aan toekomen. Zijn personages moeten geloofwaardig zijn, maar hoeven niet per se rationeel te handelen, iets waar klassieke wetenschappers vaak wel van uitgaan. Dat levert afwijkende vergezichten op, die prikkelen en tot nadenken stemmen, en juist dát is de kracht van sciencefiction.

Een ander voorbeeld. Wie denkt dat vliegen voor steeds meer mensen toegankelijk wordt, moet Transcendent eens lezen van de Amerikaanse schrijver Stephen Baxter. In dit boek, dat ook halverwege deze eeuw is gesitueerd, belandt hoofdpersoon Michael Poole in een vervreemdende discussie als hij een vliegticket wil boeken om zijn zoon in een ziekenhuis in Siberië te bezoeken.

‘Michael, leg me eens uit waarom je per se zou moeten vliegen’, vraagt de ticketverkoper.

‘Mijn zoon is gewond!’, zegt Michael ontzet.

‘In jouw jeugd vloog je waarschijnlijk heel vaak’, zegt de verkoper, die nog niet overtuigd is van de noodzaak om aan Michael een ticket te verschaffen. ‘Maar jullie deden wel meer ongezonde dingen in die tijd. Dat wil niet zeggen dat je daar mee door moet blijven gaan …’

Bizar natuurlijk. Maar niet in de wereld die Baxter beschrijft. In die door klimaatverandering getroffen omgeving kunnen vliegmaatschappijen alleen bestaan als ze akkoord gaan met een pakket sociaal verantwoordelijke maatregelen, waarvan ontmoediging onderdeel is. De olie is bijna op, Nederland heeft de strijd tegen het wassende water opgegeven en auto’s zijn uit het straatbeeld verdwenen. Michaels moeder van 90 jaar woont nog op zichzelf in een huis in Florida, dat door de stijgende zeespiegel in een eilandengroep is veranderd.

Te midden van deze wat apocalyptische achtergrond, geeft Baxter enkele praktische tips waar bijvoorbeeld de hedendaagse huizenbouwer zijn voordeel mee kan doen. In de moerassige kustgebieden die Baxter beschrijft, wordt op de begane grond geen houten vloer meer aangelegd en zijn stopcontacten minimaal op ooghoogte bevestigd. Dit om te voorkomen dat de regelmatige overstromingen tot al te veel schade leiden.

Transport vindt in de toekomstige wereld van Baxter vooral plaats via ‘pod-bussen’: dat zijn eivormige cabines die non-stop via vaste spoortrajecten door steden razen. De mens blijft steeds vaker dicht bij huis, waar hij met zonnepanelen zijn eigen stroom opwekt en waar het lokale leven is opgebloeid.

Met dat laatste schetst de schrijver een drastische breuk met de globaliseringstrend van nu en wijkt hij af van de gangbare opvatting dat afstanden vervagen en de mens steeds individualistischer wordt. Baxter wijst op de prijs van ons gereis en vertaalt dat naar een wereld waarin de mensen juist weer samenkruipen in kleine, zelfvoorzienende gemeenschappen, met sterke onderlinge banden. Hoogbejaarde mensen, zoals de moeder van de hoofdpersoon, kunnen in zo’n sterke gemeenschap zelfstandig blijven wonen.

Het is een andere gemeenschap dan de gemeenschap van nu, duidelijk, maar is het uit te sluiten dat het die richting uit gaat?

Inspirators

Sciencefictionschrijvers worden afwisselend onzinschrijvers genoemd of toekomstvoorspellers, waarmee ze tekort gedaan worden of juist te veel eer voor hun werk krijgen. De waarheid is anders, namelijk dat sciencefictionschrijvers met hun toekomstideeën boven alles inspirator kunnen zijn.

Er kan een waarschuwing van hun werk uitgaan, of juist een fantasie die het verdient op haalbaarheid onderzocht te worden. Denk daarbij aan het klassieke voorbeeld van Jules Verne die in 1860 een reis naar de maan beschreef, die een eeuw later werkelijkheid werd. Dat de raket in het boek de naam Columbiad meekrijgt en in het Apollo-project van de Amerikanen de naam Columbia, geeft op zijn minst een indicatie over de bron waar de werkelijkheid op is geïnspireerd.

Vooral in sectoren die voor belangrijke transformaties staan en waarin het toekomstdenken is vastgelopen, is een beetje sciencefiction welkom. Neem de energiesector. Alle consultants en toekomststrategen lijken er van overtuigd dat het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden teruggedrongen, al is het alleen maar omdat de voorraden opraken. Maar over het beste alternatief wordt oeverloos gedebatteerd, waardoor er weinig voortgang wordt geboekt.

In veel sciencefictionverhalen worden deze alternatieven uitgewerkt en wordt beschreven wat de consequenties zijn voor de mensen die ermee opgroeien. Er worden ook nieuwe ideeën aan toegevoegd, zoals het idee om zonnepanelen in de ruimte te plaatsen. Daar is de kracht van de zon sterker, waardoor meer energie opgewekt wordt.

Andere sectoren waar uitgewerkte toekomstvisioenen kunnen helpen om cirkelredenaties te doorbreken, zijn de vastgoed- en mediasector. In veel sciencefictionverhalen zijn de grote winkels en kantoren uit het straatbeeld verdwenen, omdat de mensen online shoppen en werken waar het hen uitkomt. Dat leidt vaak tot eentonige, grauwe stadsgezichten, waar mensen doorheen trekken, maar niet voor hun lol lijken te verblijven.

In Misspent Youth van Hamilton is het copyright komen te vervallen. In 2012 is de laatste Man Brooker Prize, een prestigieuze prijs voor Engelstalige literatuur, uitgereikt. Alleen de échte vertellers, die niet gedreven zijn door commerciële overwegingen, nemen in die wereld nog de moeite een verhaal te schrijven.

Visioenen

In de VS worden sciencefictionschrijvers serieuzer genomen dan hier. Een van hen, Arlan Andrews, richtte daarom in 1992 de denktank SIGMA op, bestaande uit veertig collega’s die hun ideeën willen delen met de overheid en non-gouvernementele organisaties (NGO’s). Dat doen ze pro bono: ze willen alleen hun reiskosten vergoed zien, opdat ze hun optimale vrijheid behouden.

De SIGMA-leden zitten geregeld in discussiepanels op technologieconferenties, maar waren bijvoorbeeld ook uitgenodigd voor een congres van het Department of Homeland Security, het antiterreurministerie dat werd opgericht na de aanslagen van 9/11. Daar schetsten ze scenario’s van terroristische aanvallen.

Nu is aan hen gevraagd om met ideeën te komen waarmee de VS meer productie binnen de eigen landsgrenzen kunnen houden, omdat het inzicht doorsijpelt dat de Amerikaanse economie problemen krijgt als de hele maakindustrie naar Azië gaat.

Andrews ­— van huis uit wetenschapper — licht telefonisch vanuit Texas de filosofie van SIGMA toe: ‘We worden door niemand betaald, hebben geen politieke ideologieën, zijn allemaal vrije denkers, die een leven bezig zijn met het ontdekken van de toekomst. Als je ons uitnodigt, krijg je ideeën en daar kunnen ook ideeën bijzitten die je misschien niet goed uitkomen.’

In Nederland is Fred Keijzer, universitair hoofddocent aan de faculteit wijsbegeerte van Groningen én sciencefictionliefhebber, ingegaan op nut en noodzaak van het genre. In zijn dit jaar verschenen boek Filosofie van de toekomst wijst Keijzer op het feit dat de meeste wetenschappers alleen naar de onmiddellijke implicaties en toepassingen van hun onderzoek kijken, terwijl de sciencefictionschrijver juist daarbuiten gaat experimenteren.

‘Lang niet alles is even serieus te nemen’, schrijft Keijzer, ‘maar binnen deze variatie zitten beelden en scenario’s die ook onderzoekers een spiegel voorhouden, waardoor ze de mogelijke gevolgen van hun onderzoek met andere ogen kunnen zien.’

Misschien dat Keijzer met zijn toegankelijke boek de populariteit van sciencefiction in Nederland vergroot. Dat lijkt nodig, want op dit moment zijn er nauwelijks Nederlandse titels voorhanden. De belangstellende is daardoor vaak veroordeeld tot vuistdikke, Engelstalige boeken die vanwege de vele technologische innovaties niet altijd even makkelijk te doorgronden zijn.

Toekomstmuziek

Het boek Het gelijk van Heisenberg, van de jonge Venlose schrijver Frans Pollux, kan ook een aanzetje geven tot meer belangstelling van futuristische verhalen in het Nederlandse taalgebied.

Zijn dit jaar bij uitgeverij Atlas verschenen boek — humoristisch, knap geschreven en daardoor voor een breed publiek geschikt — staat in de winkel niet bij de sciencefictionliteratuur, maar bij de ‘gewone’ romans. Dat laat onverlet dat er een verkenning van de toekomst in plaatsheeft, want via wat rekenwerk is vast te stellen dat het verhaal zich afspeelt rond 2020.

Pollux (1977) zegt in een toelichting op zijn boek dat hij geboeid is door ‘de vraag wat er gebeurt als je ontwikkelingen van nu nog eens 10, 20 jaar de tijd geeft’, hét basisprincipe van iedere toekomstschrijver.

Vooral voor de groeiende macht van het bedrijfsleven heeft Pollux een specifieke fascinatie, zo illustreert hij aan de hand van een anekdote uit zijn middelbare schooltijd. ‘Mijn aardrijkskundeleraar zei vroeger altijd, als we het klaslokaal verlieten, dat we de lampen het beste aan konden laten staan. Hij was ervan overtuigd dat het verstandig was om de bestaande energiebronnen zo snel mogelijk op te gebruiken. Want alleen dan, zei hij, zijn er geen belangen meer te verdedigen en ontstaan er prikkels om met iets nieuws te komen.’

Het is dan ook geen toeval dat Pollux in zijn boek een wereld schept waarin het marktdenken zo ver is doorgeschoten, dat het bedrijfsleven de rol van de overheden volledig heeft overgenomen, een beeld overigens dat in meer toekomstromans voorkomt.

Dat heeft implicaties, zo maakt Pollux duidelijk aan de hand van een gesneefd Marshall-plan van Europese bedrijven. Deze bedrijven overwegen de wederopbouw te financieren van het volledig verloederde VS, waar steeds meer mensen in tentenkampen wonen. Met hun financiële steun willen de bedrijven hun overzeese afzetmarkt herstellen. Maar ze zien er bij nader inzien toch van af, te bang dat ze hun investering niet terugverdienen.

Ook het internet is volledig vercommercialiseerd in de wereld van Pollux. Alle bewegingen van burgers op het wereldwijde web worden gevolgd door een beursgenoteerd instituut, dat er niet voor schroomt je thuis op te zoeken als blijkt dat je ‘rare vriendjes’ hebt gemaakt.

Spam versturen is niet langer strafbaar en zelfs nog eenvoudiger geworden dan het nu al is, omdat de e-mailadressen van alle wereldburgers toegankelijk zijn voor alle bedrijven. De consument verliest hierdoor zijn interesse in internet; papier wint weer aan belang.

Misschien iets om over na te denken voor uitgevers die hun toekomstplannen volledig laten bepalen door de digitale revolutie?

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij de (lees)tips van leden van het Nederlands Contactcentrum voor Science Fiction en Martijn Lindeboom van Lindeboom Concepten, die onder meer betrokken is bij de voorselectie van de Paul Harland Prijs voor sciencefiction/fantasy-verhalen.