Morgen gebeurt het, over sciencefiction en media-sf – Tais Teng

Toen ik een jaar of zeven, acht was, wist ik precies hoe de toekomst er uit ging zien: gigantische wolkenkrabbers met zwierende loopbruggen. Om de gebouwen zwermden honderden helikopters en alle auto’s waren druppels van gestroomlijnd pantserglas. Het mooiste vond ik nog de twintigbaansweg die zich dwars door een woontoren boorde.

Ik had mijn kennis uit de Donald Duck. Midden in het tijdschrift stond een plaatje van het jaar 2000 en iedereen wist dat de toekomst pas in 2000 werkelijk zou beginnen. Als ik naar dat plaatje keek, voelde ik een diep verlangen naar de tijd die nog moest komen. Het was heerlijk om te weten dat die toekomst met een snelheid van een uur / per uur op me af stormde.

Een paar maanden geleden stond ik op het dak van Den Haag CS om de zaak eens te controleren.Wat was er eigenlijk van die toekomst terechtgekomen?

De  superwolkenkrabbers vielen niet tegen: ze waren zelfs van zwart glas, wat ze een prachtig coole maffia-uitstraling gaf. De loopbruggen klopten ook en als je de stad binnenreed, schoot je inderdaad onder een gebouw door dat beslist als aandrijving van een sterrenschip diende. Goed, geen personenhelikopters of vliegende auto’s, maar je kunt niet alles hebben. Bovendien konden we ze best maken: vliegende auto’s en minihelikopters staan elke eenvoudige miljardair ter beschikking. Het viel me wel een beetje tegen dat je ‘s nacht de lichten van de maansteden niet zag opgloeien.

Aan de andere kant: in de binnenzak van mijn jas stak een USB-stick waarop alle boeken die ik ooit geschreven had (en nog zal schrijven) passen. Met mijn grafische pen kon ik elk potlood, iedere penseel of etsnaald nabootsen. Ik mocht uit twintig miljoen kleuren kiezen en dat waren er heel wat meer dan er in de modale kleurdoos zitten. Vanaf de NASA-site kon ik zo goed als live over de ringen van Saturnus scheren. De bevroren meren van Mars lagen maar één muisklik ver, of ik kon, dichterbij, de straatlantaarns van Moermansk zien aanknippen zodra de zon onderging.

Volgens de Donald Ducktoekomst hadden dit soort computers zo groot als flatgebouwen moeten zijn, met wachtlijsten van minstens een jaar. Boeken op de heilige megacomputers schrijven of haaimuizen schilderen, was ondenkbaar.

Dit heden is helemaal geen onaardige toekomst, concludeerde ik, zelfs zonder koepelsteden op de maan. Zelfs met een ruimtestation dat uit weinig meer dan wat overmaatse bierblikjes bestond.

En over vreemd en exotisch gesproken: moskeeën in Rotterdam? Smeltende poolkappen en superorkanen die een complete Amerikaanse stad wegvagen? Tibetaanse restaurants langs de gracht en ‘s winters kwetterende parkieten in de populieren? Welke sf-schrijver had onze wereld ooit durven bedenken?

Die andere, intussen achterhaalde, toekomst bestaat nog steeds in de media-sciencefiction, in de films, de tv-series, de computerspelletjes. In Star Wars worden de cocktails door robots geserveerd en vind je vliegende auto’s zat. Overal buitenaardse wezens terwijl we nog niet eens een microbe op Mars gevonden hebben. Straalpistolen, koepelsteden op de maan.

Het is een beeld dat nog verder teruggaat dan mijn Donald Duckplaatje. Het stamt uit de zwart-wit film Metropolis van Fritz Lang uit 1927.

Media-sf is een rijk en barok geheel, maar vooral visueel interessant. Hun toekomstige werelden doen akelig Amerikaans en een beetje vijftiger jaren aan.

De meeste mensen kennen alleen de media-sf.

Och ja, zeggen ze, sciencefiction: robots, ruimteschepen en vooral erg veel ontploffingen toch? Voor Hollywood mag sf vooral niet al te vreemd of origineel zijn. Stel je voor dat de kijker moet nadenken! Hun media-sf hoort tussen de westerns, de comedies en de thrillers thuis. Dat er ook sciencefictionromans bestaan, komt bij de meeste mensen niet op.

De geschreven sf heeft een ander doel. Een schrijver probeert een gevoel van intense verwondering op te wekken, van dat verlangen naar onbekende oorden, wonderbaarlijke culturen. Wat gebeurt er honderd jaar nadat ik gecremeerd ben en mijn laatste boek tot houtpulp verkruimeld is? Melancholie en intense verwondering eerder dan spanning en sensatie.

Sommige critici willen de sf al in de klassieke Griekse tijd laten starten, waarin een reis naar de maan en de zon werd beschreven. Later bereikten anderen onze maan in een boot die door zwanen getrokken werd. (Iedereen weet immers dat zwanen op de maan overwinteren?)

Ik vind zulke claims een beetje hebberig. Zonder befaamde voorouders valt best te leven en bovendien waren dat meestal meer een soort baron Van Münchhausenverhalen dan serieuze beschrijvingen van een ruimtereis.

De sciencefiction begon in 1816 met de roman Frankenstein van Mary Shelley.

Het was een van de vreemdste tijden uit de geschiedenis: in 1815 had de vulkaan Tambora zichzelf opgeblazen met de kracht van een dozijn atoombommen. Een dichte nevel van stof en as breidde zich over de hele wereld uit en de temperatuur dook omlaag. Het werd het Jaar zonder Zomer, waarin overal ter wereld de oogsten mislukten.

Mary Shelley bivakkeerde samen met de beroemde dichter Lord Byron en zijn arts aan het Meer van Genève. Elke zonsondergang was een wonder: gouden stromers in een hemel van keverschildgroen, overdag hing de zon als een bleke maan boven de bergen. Omdat de striemende regen en de lage temperatuur hen binnenhielden, besloten ze alledrie een spookverhaal te schrijven, iets wat bij de vreemde, dreigende sfeer paste.

Mary Shelley schreef  Frankenstein of een Hedendaagse Prometheus. Prometheus was de held die het vuur van de goden stal en Victor Frankenstein besloot iets nog veel heldhaftigers te doen: het leven van God zelf stelen. Hij was een geleerde, een medicus. In die tijd was elektriciteit nog een gloednieuwe ontdekking. Een Italiaan had pas ontdekt dat een al drie dagen dode kikker met zijn poten sloeg als je hem een stroomstoot toediende. Dezelfde reactie trad op bij menselijke kadavers. Hun ogen sprongen open, hun vingers krampten. Elektriciteit was duidelijk de levensenergie, het Elan Vital. Het was alleen jammer dat zo’n tot leven gewekte figuur meteen weer stierf en een zinnig woord viel er niet met hem te wisselen.

Baron Frankenstein besloot het strikt wetenschappelijk aan te pakken: vind precies de juiste spanning, vul het lijk met vers bloed. Bovendien was tot leven wekken niet genoeg, hij wilde een beter mens bouwen, de eerste superman. Dat was de reden dat het ‘Monster van Frankenstein’ uit zoveel verschillende lijken in elkaar gezet werd: alleen het beste was goed genoeg.

Het verhaal speelt zich af in een laboratorium. Mary Shelley gebruikte de nieuwste wetenschappelijke inzichten en er kwam geen toverspreuk aan te pas. Een sciencefictionverhaal dus, geen griezelverhaal. Later heeft Hollywood er de uitspraak van ‘There are things man was not meant to know’ aan vastgeplakt. Daar dacht Mary Shelley heel anders over: het was juist iets magnifieks wat Frankenstein ondernam. Dat het zo gruwelijk misliep, was de schuld van de geleerde zelf: nadat hij zijn nieuwe supermens gebouwd had keerde hij zich vol walging van hem af. Hij had een engel verwacht, maar zag een trol.

Om afgewezen te worden door je vader is treurig. Toen Victor ook nog weigerde een vrouw voor zijn schepping te bouwen, sloegen bij het ‘monster’ alle stoppen door.

De zonde, het absoluut verkeerde, was niet het maken van leven maar het weigeren verantwoording te dragen voor je schepping.

Wells en Jules Verne introduceerden de fantastische techniek, de wonderreizen en het vooruitgangsgeloof in de sf. De toekomst zou eindeloos veel beter worden dan het heden, techniek zou alles maakbaar maken, ook de mens zelf.

Wij zouden in witte toga’s rondlopen door een wereldwijd park en prachtige poëtische gedachten denken.

Uit die tijd stammen ook de ingenieursdromen: de kunstmatige eilanden, de tunnels door het centrum van de aarde, de gietijzeren reuzenbrug over de Straat van Gibraltar, het ruimteschip naar de maan dat door een kilometerslang kanon werd afgeschoten.

Bijna al die dromen kwamen uit.

Alleen de mens zelf bleek een stuk minder maakbaar. Hoewel we nu al aan iemands hersengolven kunnen zien of hij naar de kleur groen kijkt, blijkt het stoppen van oorlogen nog verdraaid moeilijk.

De Amerikanen namen de sf van de Engelsen en Fransen over. De eerdere boeken waren duidelijk literair geweest, met befaamde auteurs: nu, met bladen als Amazing en Astounding, kwam de nadruk op het avontuur te liggen, de plot. Deze sf was enorm visueel en muteerde uiteindelijk tot de media-sf.

Later slopen zaken als een geloofwaardig dialoog, emotionele ontwikkelingen en mooi schrijfwerk weer terug. De Amerikaanse pulpperiode had echter een groot voordeel gehad: sf-schrijvers wisten nu dat ze in ieder geval een boeiend verhaal moesten vertellen. Met alleen een dichterlijke stijl kom je niet ver.

Soms duiken ‘literaire’ schrijvers in de sf met het idee van ‘Dat doe ik wel even’. O-zone van Paul Theroux en de volkomen onleesbare planetenreeks van Doris Lessing zijn daar afschrikwekkende voorbeelden van. Het is even arrogant en dom als westerns schrijven terwijl je niet weet wat een Colt of een postkoets is.

De moderne sf-schrijvers gebruiken allerlei manieren om in de toekomst te kijken. Om er een paar op te noemen:

– Als dit zo doorgaat…

Je pakt een trend die net begonnen is en bedenkt wat de meest wilde en vooral interessante eindvorm zou zijn. Laten we zeggen een extreme make-over die zo modieus wordt dat mensen zich adelaarsvleugels of staartvinnen aan laten meten. Of desnoods hun hersens maar in een compleet nieuw lijf laten zetten.

– Wat zijn de gevolgen van een nieuwe technologische ontwikkeling?

Ga er vanuit dat elke uitvinding zo kortzichtig mogelijk gebruikt zal worden en je maakt een redelijke kans dat je goed gokt. Op deze wijze wist de sf-schrijver John Brunner ons heden met zijn terrorisme-voor-de-gein en volkomen vervuilde oceanen overtuigend neer te zetten. Je kunt natuurlijk ook een toekomst verzinnen waarin onze smeltende poolkappen en rondrazende superorkanen wel opgelost worden.

In de vorige eeuw lag de nadruk op natuurkunde en techniek, zeg maar atoombommen en ruimteschepen. In deze gloednieuwe eeuw is het de opbloeiende biotechnologie met haar gekloonde schapen, supergewassen, smart drugs en cool hunters.

– Hoe is het op werkelijk vreemde plaatsen?

Dat zijn de oude Jules Verneachtige wonderreizen, maar sinds zijn tijd hebben we heel wat wonderbaarlijker oorden gevonden. Zweef bijvoorbeeld in een zeppelin tussen de gouden wolken van Jupiter, waar de bliksemschichten kronkelen die even lang zijn als de hele Rocky Mountains. Of beklim de Olympus Mons, de Marsvulkaan waarvan de top in de ruimte steekt.

Er zijn gigantische gasplaneten die zo dicht om hun ster draaien dat ze dwars door de zonnevlammen scheren. Of daal af in de diepzee, met haar zestien meter lange pijlinktvissen, haar inktzwarte bronnen met kokend water en blinde vissen.

– Maar sf hoeft niet over de toekomst te gaan: neem de alternatieve tijdstroom nu.

Stel je voor dat de geschiedenis anders verlopen was? Julius Caesar sterft op zijn vierde aan een bloedvergiftiging nadat hij door een Egyptische tempelkat gebeten is. Charles Babbage bouwt zijn allereerste mechanische computer dit keer wel af en je hebt een werkend internet in 1870.

Je eindigt met een onherkenbaar nu, met een door Vikings bewoond Noord-Amerika of een christelijk China. Dit soort verhalen is sterk met de historische roman verwant. Begin er als schrijver niet aan zonder je historische huiswerk gedaan te hebben.

– Het tijdreisverhaal kan zich in elke eeuw afspelen. Vaak is er een tijdpatrouille, een soort VN-vredesmacht die zorgt dat er niet al te erg met de tijd geknoeid wordt. Of zorgt dat de Aarde niet voortijdig vergaat.

Zodra je met sciencefictionogen naar onze eigen tijd kijkt, zie je hoe druk de tijdpatrouille het de afgelopen decennia gehad heeft. De Sovjet-Unie had bij haar instorting de Derde Wereldoorlog moeten beginnen, en al onze supersteden hadden kraters van zwart glas moeten zijn onder een hemel van stuivend as. Bovendien is het intussen al eeuwen te laat voor een nieuwe ijstijd. In de zeventiger jaren waren de meeste geleerden het daar wel over eens en een paar zagen het eerste begin al. De hele Industriële Revolutie is uiteraard door de tijdpatrouille in gang gezet, in een wanhopige poging om de nieuwe ijstijd te voorkomen. Of het heet genoeg wordt om de gletsjers te stoppen? Laten we hopen van wel.

De klassieke sf-schrijvers geloofden in het veroveren van de ruimte, de New Frontier, met steden op de maan en een hemel vol ruimtestations. De moderne sf-schrijvers hebben een ander geloof. Wij wachten op de Singularity, de post-humane tijd. Ergens in de toekomst ligt de Singularity: het moment van de totale verandering. Technologie en cultuur raken in een immense stroomversnelling. Heel de wereld, onze cultuur, wordt zo vreemd dat we niet langer mensen zijn. Onze technologie valt amper van magie te onderscheiden. Misschien ontstaan er door genetische manipulatie honderden mensenrassen die evenveel van elkaar verschillen als goudvissen van muskusossen.

Je kunt eigenlijk geen sf-verhalen voorbij dat punt schrijven omdat de mens zelf veranderd zal zijn. Zijn emoties en gedachten worden even onbegrijpelijk als onze roddels over een nachtmot.

De oude toekomst is nu, overal om mij heen, maar ik kijk nog steeds vol gretige verwachting vooruit. Wat er ook gebeurt, ik weet zeker dat ik mij niet zal vervelen.


Dit stuk is onderdeel van de serie Doop uw fenixveer in drakenbloed, een serie columns van Tais Teng, allemaal op volgorde te lezen op zijn eigen website. De serie verscheen op papier in Pure Fantasy Magazine.