Sarah de WaardNaar aanleiding van de uitslag van de Paul Harland Prijs 2014 heeft de organisatie korte interviews gedaan met de vijf prijswinnaars. Lees hier de vijf w’s van de winnaar van de tweede prijs, Sarah de Waard.
De interviews met de winnaressen van de Feniksprijs en de Debuutprijs en de winnaar van de 3e plaats en de NCSF premie staan al online.

Wie is Sarah de Waard?
Je wilt mijn ziel in honderd woorden? (niet dat ik in zielen geloof)

Dat is me te moeilijk. Laat ik in plaats daarvan vertellen wat ik doe.

Ik ben een schrijver, uiteraard. Voornamelijk korte verhalen, die voor het grootste deel diep in mijn computer begraven blijven. Maar zo nu en dan weet er eentje te ontsnappen.

Ik werk ook als redacteur en auteursbegeleider. Ik heb (lang geleden) een geschiedenisopleiding gedaan, en na een reeks onbevredigende en energie slurpende baantjes heb ik een paar jaar geleden de master Redacteur/editor aan de UVA gevolgd. Sindsdien werk ik als freelancer. Ik werk voor uitgevers, maar ook met schrijvers die nog geen uitgever gevonden hebben of die in eigen beheer willen uitgeven (kom gerust kijken als je denkt dat mijn adviezen iets voor jou zijn).

Het liefst werk ik met schrijvers die ondanks hun talent weinig tot geen kans hebben bij een uitgever. Omdat ze niet snel genoeg – of niet regelmatig genoeg – kunnen produceren. Omdat ze geen talent (of tijd of energie) hebben voor marketing. Omdat ze een te groot risico zijn. Omdat ze geen eigen fanbase meebrengen en niet aangeprezen kunnen worden met ‘als je boek/serie/schrijver X leuk vond, zal je dit geweldig vinden’.

Uitgevers moeten dergelijke afwegingen natuurlijk maken; ze kunnen het zich niet veroorloven veel risico te nemen. Maar ‘kun je me iedere achttien maanden een nieuw manuscript bezorgen’ en ‘ben je charmant genoeg om een verkooppraatje te houden’ zijn niet altijd de beste criteria om goede schrijvers te vinden. En hoewel ik soms een beetje moe word van het cliché van de lijdende kunstenaar, geloof ik wel dat moeilijke levens de meest interessante boeken opleveren.

Wat ben je voor een schrijver?
Een technische. Uiteraard zijn ideeën en inspiratie ook belangrijk, maar ik hou van de ambachtelijke kant van het schrijven. Van de trucjes die je kunt uithalen met perspectief en perspectiefwisselingen, met opbouw en verteltijd, met het doseren van informatie, etc. Soms herlees ik een boek dat ik niet goed vind drie of vier keer om er achter te komen wat me nou precies niet bevalt. En verhalen die experimenteren met vertelvorm, zoals ‘Travels with the Snow Queen’ van Kelly Link en ‘The Writer’s Child’ van Tad Williams, vind ik geweldig.

Tegelijkertijd – paradoxaal misschien – schrijf ik het liefst verhalen waarin de karakters centraal staan, waarin hun wensen en beslissingen een rol spelen en de plot voortdrijven. Ik hou helemaal niet van verhalen waarin karakters hun rol opgelegd krijgen en er maar een mogelijke ‘juiste’ uitkomst is. De uitverkoren helden, de avatars die, of ze willen of niet, een groot kwaad moeten verdelgen en de orde moeten herstellen. Ik schrijf liever over karakters met iets kleinschaliger problemen.

Ten slotte ben ik een heel kritische schrijver. Ik ben al hard genoeg voor anderen (al ben ik wel diplomatieker geworden sinds ik als redacteur werk) maar dat is niets vergeleken met hoe streng ik voor mezelf ben. Als ik duizend woorden schrijf, schrap ik er achthonderd. Niet echt goed voor de productiviteit, maar ik wil wel tevreden zijn over wat ik uitstuur.

Waar kwam het idee/de inspiratie voor je PHP-verhaal vandaan?
Het begon als een oefening in perspectief. Ik wilde een karakter beschrijven dat iets boosaardigs doet, maar vanuit het perspectief van iemand die van hem of haar houdt. En ik wilde over iemand schrijven die zich mee liet slepen in iets waarvan hij wist dat het verkeerd was. En dat allemaal in zo weinig mogelijk woorden – hoe beknopter hoe beter.

Het was niet bedoeld als kritiek op gescheiden ouders, of als ‘dit gebeurt er met kinderen als de ouders niet bij elkaar blijven’. Ik heb voor een ouder-kindrelatie gekozen omdat ik daarbij veel minder voorgeschiedenis en achtergrond hoefde te geven dan bij andere relaties. Je kind (of een jong kind in het algemeen) willen beschermen is veel vanzelfsprekender dan bijvoorbeeld een partner of een vriend. De ouders waren gescheiden omdat ik één ouder uit de buurt wilde hebben – de dynamiek zou totaal anders geweest zijn als er twee volwassenen in het huis waren geweest. En bovendien moest de dochter ook een deel van de tijd afwezig zijn – de vader moest het verhaal in gang zetten, en dat zou niet gebeurd zijn als zijn dochter permanent bij hem woonde. En ik heb voor een vader-dochter combinatie gekozen omdat het tegen de verwachting ‘vrouwen zorgzaam, mannen agressief’ ingaat.

Voor een groot deel technische keuzes, in feite. Zo schrijf ik niet altijd – vaak begin ik met persoonlijkheden en relaties tussen karakters en bouw ik daar een plot omheen – maar dit keer wilde ik een concept in zo weinig mogelijk woorden uitwerken.

Waarom wil je graag in de fantastieke genres schrijven?
Ik wilde al heel jong een schrijver worden, maar ben pas laat overgestapt naar de fantasy. Als tiener las ik vooral literatuur. Ik heb de Lord of the Rings wel gelezen toen ik een jaar of dertien was, maar het raakte me totaal niet. Maar op een gegeven moment (zo rond de tijd van Giphart & Co.) begon de Nederlandse literatuur me te vervelen en ben ik geleidelijk overgestapt naar de sciencefiction. Ik was een Trekkie (TNG) en mijn grootvader was een natuurkundige met een collectie klassieke sciencefictionboeken. Maar toen ik eenmaal een keer meegedaan had met de PHP (toen nog de Millenniumprijs), kwam ik er al snel achter dat sciencefiction uit de mode was en eigenlijk nauwelijks nog uitgegeven werd. Ik zou meer succes hebben als ik overstapte naar de fantasy.

Nu wist ik bijna niets van fantasy, behalve dat ik niet onder de indruk was van boeken als LOTR en She (H. Rider Haggard). Dus ik heb op de gok – puur op titels en omslagen die me aanspraken – een stuk of twintig tweedehands fantasyboeken gekocht om te zien of het iets voor mij was. En er zaten echte draken tussen. Maar ook een paar boeken die me verrasten, waarvan ik dacht, ‘Ja, daar kan ik wat mee. Zoiets zou ik wel willen schrijven.’ Dus ik ben door blijven lezen.

Ik hou nog steeds niet van epische fantasy, van de queeste en het uitverkoren kind. Ik heb de LOTR een paar jaar geleden nog een keer een kans gegeven, en het verveelde me net zo erg als de eerste keer. En ik zie niet in waarom we steeds hetzelfde verhaal, met kleine variaties, zouden vertellen terwijl er zo veel meer mogelijk is als je jezelf toestemming geeft de geschiedenis te herschrijven en de natuurwetten te negeren. Maar world building is een uitdaging, net als mensen ervan overtuigen dat wat je schrijft ‘echt’ is. Eigenlijk schrijf ik het liefst voor mensen die het fantasygenre niet goed kennen. Die zijn het moeilijkst te overtuigen en je kunt niet terugvallen op conventies.

Wanneer ben je van plan om door te breken?
Vijftien jaar geleden.

Nee, eerlijk gezegd heb ik daar op het moment geen plannen voor, of verwachtingen over. Niet dat ik geen boek wil schrijven of niet gelezen wil worden. Maar weet je …

Als je begint met schrijven en je je werk voor het eerst aan anderen laat lezen, krijg je veel commentaar over je heen, zowel positief als negatief. En daar moet je naar leren luisteren. Kritiek incasseren is meer dan blijven glimlachen en doen alsof je het niet erg vindt. Je moet je trots inslikken, accepteren dat je niet zo goed bent als je dacht dat je was, en proberen om die kritiek te gebruiken om beter te worden. Je moet het genre waarin je werkt beter leren kennen, de klassiekers en de nieuwe boeken lezen, de conventies, de modes en de inspiratiebronnen leren kennen. En oefenen – veel oefenen.

Maar op een gegeven moment moet je die critici weer leren negeren, en de verhalen schrijven die jij wilt vertellen. En dat is de stap waar ik moeite mee heb. Ik ben niet iemand die tien ideeën per dag heeft, en als ik niet uitkijk, laat ik me te veel beïnvloeden door wat ik denk dat in de mode is, wat uitgevers zou interesseren of wat mensen zouden kopen. En dan stop ik ermee omdat het niet langer mijn boek of mijn verhaal is.

Ik ben nu bezig aan een boek dat denk ik echt van mij is, dat iets is wat ik wil schrijven. Maar ik denk met opzet niet aan uitgevers en potentiële lezers en collega’s die in een noodtempo lijken te werken en tienduizend woorden per dag neerzetten. Dat komt later wel.